Van Gogh

Lieve Arnon,

 

In de verzengende hitte verbleven wij de afgelopen weken in de Provence. Caromb of, volgens het lokale dialect, Caroun is een dorpje aan de voet van de Mont Ventoux dat je misschien wel kent. Bij de lokale bakker hangt een affiche met een paar slordig geschilderde zonnebloemen in een vaas: ‘Adrianne Mead, une Anglaise en Provence’, lees ik onder de afbeelding. Terwijl ik op mijn beurt wacht, google ik de schilderes en zie dat de tentoonstelling al enkele dagen niet meer te bezichtigen is. In het totaal leverde het haar dertien facebook likes op en misschien een handvol bezoekers.

Na het ontbijt rijd ik op mijn fiets richting Malaucène, de zonnebloemen zijn net als de wegwerkers al bezweken onder de hitte. Hitte die tijdens een beklimming van de Ventoux mijn benen afsnijdt zoals Van Gogh zichzelf een oor afsneed in een ruzie met een vriend om de lokale barvrouw. Zelf zou ik geen excuus nodig hebben om hier mijn oren vrijwillig af te snijden, Arnon. Het nimmer aflatende gekrijs van de cigales is reden genoeg, daar kan zelfs de rustgevende geur van lavendel niets aan veranderen.

Alleen Vaison-la-Romaine lijkt rust te bieden, op de markt kocht ik er een oud exemplaar van Tintin au pays des Soviets. De lokale bibliotheek heeft door het stadje heen boeken (ik bracht er eentje voor je mee) neergelegd die een derde leven verdienen. Op de kaft een sticker waarop je vriendelijk wordt verzocht om het boek na het lezen weer terug te leggen voor een ander. Je ziet niet dat ze opgepakt worden, desondanks zijn de meeste op de terugweg verdwenen.

Net als Adrianne en Vincent en ieder ander beweeg ik als een onbekende door de Provence, zoals alles hier onzichtbaar in de schaduw van die ene reus leeft. Als een dampend skelet op een fiets kruipen mensen als mieren over zijn rug omhoog. Zelfportretten hoef je hier niet te maken, Arnon. Het lijden wordt in een fractie van een seconde vastgelegd door de fotografen die even koortsachtig hun camera’s laten klikken als Van Gogh schilderde.

Nauwelijks twee weken (en geen maanden zoals Van Gogh en Gauguin) ‘wonen’ we aan de Rue des Prés. Als ik met mijn fiets bij het roze huis aankom, word ik aangesproken door de dagelijks zeurende eigenaar. ‘Monsieur Niels, de luiken van de ramen moeten worden gesloten, anders gaan de deuren klapperen, de kinderen moeten niet zo spetteren en lawaai maken en de glazen mogen niet op de tafel bij het zwembad staan. In tegenstelling tot Vincent slik ik zijn commentaar Arnon, maar alleen omdat ik weet dat hij op een Rubensvrouw valt en niet op het slanke type dat naast mij slaapt.

 

À bientôt,

 

Niels

Share and Enjoy !

Shares

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.