We blijven loyaal, ook als we de risico’s kennen

Militairen weten als geen ander dat risico’s bij het vak horen. Maar wees daar dan wel open over. Helaas laat het rapport over Mali een ander beeld zien, schrijft Afghanistan-veteraan .

Het ‘golden hour’ – zo noemen militairen het cruciale uur waarbinnen een gewonde op de operatietafel moet liggen om zijn kans op overleven zo groot mogelijk te maken.

De militair die in juli bij een mortierongeluk in Mali zwaargewond raakte, werd behandeld in een ziekenhuis dat met de helikopter binnen dat ene uur bereikbaar was. Dat heeft zijn leven gered. Toch stelt de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) nu vast dat dat ziekenhuis eigenlijk niet geschikt was om iemand met zulke verwondingen te verzorgen.

Maar wat moet je doen, verdedigde minister Hennis zich deze week in het Kamerdebat over het OVV-rapport, dat de aanleiding voor haar aftreden zou worden. „Als je moet kiezen tussen iemand die dan onder je handen wegglipt en overlijdt, en iemand laten opereren in [dat] hospitaal, doe je wel het laatste.”

Hennis’ woorden doen me terugdenken aan de zomer van 2007, een patrouille langs een rivier in Uruzgan. Als we op het punt staan een dorp binnen te rijden, ontvangen we een radiobericht. De Blackhawk reddingshelikopter, die op Kamp Holland altijd gereed staat, kan wegens onderhoud voor onbepaalde tijd niet vliegen. Het ‘golden hour’ zal nu door de lucht niet gehaald worden, als een medevac (‘medische evacuatie’) nodig zou blijken. En ook niet via de weg. Want hoewel we maar een kilometer of vijftien buiten de poort van Kamp Holland zijn, is dat door de dreiging van bermbommen meer dan een uur rijden.

Geen reden voor paniek. Militairen leven elke dag met risico’s. Het risico dat je gewond raakt of erger, natuurlijk. En de risico’s die elke militaire operatie, van een complete missie tot die ene patrouille, nu eenmaal met zich meebrengt. Omstandigheden zijn nooit volmaakt. Uitrusting en materieel kunnen altijd beter.

De tanks waarover we in Afghanistan soms graag hadden beschikt, waren er niet. Het materieel dat wel meekon – voertuigen, helikopters – was ontworpen voor Noord-Europa, en sleet in het hete zand razendsnel. In dat opzicht verschilde Uruzgan niet van Mali. Het maakt missies niet onuitvoerbaar, maar vraagt wel creativiteit. Improviseren wordt routine. Van het niveau van de hele organisatie tot dat van de individuele soldaat.

Thierry Baudet verscheen deze week in de Kamer in een standaard militair vest dat volgens hem zo slecht is dat militairen massaal zelf betere vesten kopen. Maar het gebeurt al decennia lang dat militairen op eigen kosten verouderde standaard jassen, rugzakken, schoenen en munitievesten vervangen door betere die op de markt zijn. Defensie – en niet alleen de Nederlandse – kan zulke vernieuwingen nu eenmaal niet op de voet volgen, al was het maar vanwege de benodigde aantallen en de logistieke ondersteuning.

Dat leidt soms wel tot rare toestanden. Ik herinner me dat defensie geen scherfbrillen meer had. Dus kocht ik in Afghanistan een Amerikaans model, maar, kreeg ik te horen, die was niet door defensie gekeurd, zodat ik dan niet verzekerd zou zijn.

Toch begrijpen soldaten door de aard van hun werk dat er vaak gekozen wordt voor de minst slechte optie. Ze relativeren dat met Murphy’s laws of combat die je bijvoorbeeld vertellen dat je altijd moet bedenken dat ‘je wapen is gemaakt door de goedkoopste producent’, of dat ‘een granaat met een vertraging van zeven seconden na vijf seconden zal exploderen’.

Vertel een militair dus dat er een probleem is en hij zal meedenken over een oplossing. Als je hem vertelt dat er niet voldoende munitie is, maar dat het kan worden opgelost met munitie die onder bepaalde omstandigheden problemen kan geven, dan zal hij begrijpen dat alles beter is dan niets. Zonder te klagen zal hij zijn opdracht uitvoeren terwijl hij er (terecht) van uitgaat dat zijn superieuren er alles aan doen om het probleem zo snel mogelijk te verhelpen.

Het OVV-rapport laat echter een heel ander beeld zien. Het incident met de mortiergranaten is te wijten aan gebrek aan kennis over dit wapen en nalatigheid bij de opslag en behandeling. Veiligheidsprocedures werden al jaren niet nageleefd, inspecteurs die waarschuwden genegeerd. Dat is misschien wel de belangrijkste conclusie uit het rapport, en die wordt ‘op de werkvloer’ met veel verontwaardiging ontvangen.

De middag voor het Kamerdebat loop ik in de eetzaal op de kazerne toevallig Del tegen het lijf. In het najaar van 2007 word ik met hem op patrouille gestuurd.

In de maanden daarvoor is hard gevochten in Uruzgan. Martijn Rosier en Tim Hoogland zijn omgekomen, de laatste op dezelfde plek waar ik zelf een week eerder met een patrouille omsingeld werd en een uur zwaar onder vuur lag. Meerdere collega’s van onze eenheid zijn ondertussen gewond geraakt in gevechten en door bermbommen.

Prima, maar als het hier misgaat, dan wil ik dat jij persoonlijk bij mij thuis uit gaat leggen wat er hier gebeurd is.

Voor de patrouille heb ik ruzie gehad met onze bataljonscommandant. Hij wil dat ik een paar verdachte quala’s (huizen) onderzoek. Uit die buurt zijn we de afgelopen dagen al een paar keer beschoten. Maar het is een opdracht waarvoor ik slechts vijf soldaten en een tolk op de been kan brengen.

„Wil je echt dat we dit nu gaan doen?”, bijt ik hem toe. „Prima, maar als het hier misgaat, dan wil ik dat jij persoonlijk bij mij thuis uit gaat leggen wat er hier gebeurd is.”

Zonder op een antwoord te wachten zet ik mijn helm op, controleer mijn wapen en vertrek richting de quala’s. Drie man laat ik achter in een positie om nog enigszins dekkingsvuur te kunnen geven, terwijl de tolk, Del en ik te voet de laatste honderd meter afleggen. Over een paar weken zit mijn missie erop en mogen we naar huis, terug naar Annelies, Mareine en Ties, schiet het kort door mijn gedachten, en voor het eerst voel ik me bang.

Het duurt lang voordat de poort van de quala opengaat en de bewoner naar buiten stapt. Te lang. Del en ik voelen de adrenaline. Misschien heeft hij tijd gerekt om anderen te waarschuwen. Snel probeer ik de situatie in me op te nemen en zie maar één mogelijkheid.

„Als we onder vuur genomen worden”, zeg ik tegen Del, „grijp ik die man vast en trek hem voor me. Dan duiken we samen de quala in en vechten van daaruit verder.”

Even kijken we elkaar indringend aan, dan knikt hij en neemt zijn positie in. Met mijn geweer op mijn rug begroet ik de bewoner van de quala. Het ziet er vriendelijk uit, maar hij weet niet dat de rechterhand in mijn jaszak een pistool vasthoudt. Het wapen dat ik, als er iets gebeurt, in een reflex zal trekken en tegen zijn hoofd zal drukken. Een handeling die verboden is volgens het humanitair oorlogsrecht.

„Wat nou als het misgegaan was, captain”, vraagt Del ’s avonds na terugkomst van de patrouille.

„Het ging niet mis.”

„Zou je die man echt als schild gebruikt hebben? Dat had je je baan gekost.”

„Sterker nog, ik zou er ook voor veroordeeld worden.” Even ben ik stil. „Weet je, Del, ik wil nog niet dood, niet hier en nu. Ik wil graag gewoon oud worden, mijn kinderen zien opgroeien en opa worden.”

„Maar als je weet dat je de gevangenis ingaat, ga je dat toch niet bekennen?”

„Toch wel Del. De kern van leiderschap is dat je keuzes maakt. Bij het maken van die keuzes moet je nadenken over de gevolgen daarvan. Als je niet bereid bent om die te accepteren, dan moet je een andere keuze maken. Een rang zegt weinig over hoeveel macht je hebt, des te meer over de verantwoordelijkheid die je draagt.”

Mijn grootste teleurstelling over het OVV-rapport heeft minder te maken met ondeugdelijke mortiergranaten of gebrekkige medische zorg dan met het weglopen van je verantwoordelijkheid. Ik begrijp heel goed dat er soms lastige afwegingen gemaakt moeten worden die een risico inhouden – noem het inderdaad can do-mentaliteit. Maar wees daar intern open over.

Openheid en defensie zijn per definitie een paradox. Personeel, opdracht en politiek zijn veelal gebaat bij geheimhouding. Maar er is wel een verschil tussen geheimzinnig en zinnig geheim.

Natuurlijk verandert die ingesleten cultuur bij defensie niet „door een paar poppetjes te vervangen”, zoals generaal b.d. Mart de Kruif onlangs terecht zei. Maar we moeten goed beseffen dat de mensen die nu aan de top staan deze cultuur zelf hebben geschapen.

‘Afghanistan’ heeft me laten zien wat de gevolgen zijn van personeelstekort, gebrekkig materieel en onvoldoende training: een paar keer zijn we door het oog van de naald gekropen. En ook wel eens niet. Meer dan eens heeft defensie zich doof gehouden voor waarschuwingen.

Voor mij was het een reden om intern voortaan alleen de waarheid te zeggen. Soldaten kennen de risico’s. Ze hebben misschien geen inzicht in welke strategische en politieke belangen er spelen, maar ze willen wel weten wanneer zaken niet kloppen. Loyaliteit – ‘moed, beleid en trouw’, zoals het motto van de Militaire Willemsorde, de hoogste onderscheiding, luidt – werkt immers twee kanten op.

Ik heb groot respect voor het besluit van minister Hennis en generaal Middendorp om de politieke en ambtelijke verantwoordelijkheid te nemen voor „een vermijdbaar ongeluk” en „te weinig lerend vermogen” die de OVV defensie verwijt bij de Mali-missie.

Middendorp legde de vinger op de zere plek toen hij zei dat de krijgsmacht „op haar tandvlees loopt”, terwijl er steeds meer van verwacht wordt. „De grens van wat de krijgsmacht kan, is allang bereikt.” De politiek, die jarenlang heeft bezuinigd op defensie, is zo ook zelf schuldig aan wat ze de minister verwijt.

Maar het allerbelangrijkst vond ik de openheid van de minister en de manier waarop ze in het debat met de Kamer de gifbeker leeg dronk. Want openheid is de sleutel om te kunnen leren. Het is de loyaliteit die de organisatie aan haar personeel verplicht is. Defensie moet die cultuuromslag maken. Zo niet, dan is elk ongeval waarbij militairen sneuvelen of gewond raken, en dat voorkomen had kunnen worden, geen vorm van nalatigheid of een ‘eigen vuur incident’, maar broedermoord.

Please follow and like us:
13

One comment

  • M.J.B.  

    Gisteren in NRC las ik uw uitstekende column inclusief uw persoonlijke ervaringen. Groot respect voor uw centrale boodschap en mening.

    (voormalig dienstplichtig militair in 1987-1988 bij GFPI in Schalkhaar)

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *