Omari

Interpreter_Symbol2

Afgelopen week speelde er een zaak rond de Afghaanse tolk Ahmadzai. In Afghanistan leerde ik veel van tolken, onder andere wat ze waard zijn.

Het is half twee, op de laatste dag van operatie Zarghur, en hoewel het bloedheet is, heeft Vik er nog nauwelijks last van. Na twee maanden in dit klimaat heeft zijn lichaam zich blijkbaar aangepast. Hij zit op het terras, samen met Ank. De afgelopen dagen hebben ze samen hun commandopostdienst gedraaid en daar was Vik erg blij mee. Ank typt sneller dan hij praat; het logboek was nog nooit zo compleet.
Terwijl Ank even gaat lezen, struint Vik het kamp over. Wanneer hij bij de Afghaanse militairen (ana’s) langs loopt om te kijken of alles in orde is, wordt hij voor de chai(thee) uitgenodigd. Hij ziet dat ook Omari, een Afghaanse tolk, op de uitnodiging is ingegaan. Vik heeft al meerdere keren met hem samengewerkt en nu zitten ze hier weer samen. Omari is in- middels al bijna een jaar in Uruzgan en mag binnenkort op verlof naar zijn familie.
‘Waar ga je tijdens je verlof naartoe?’ vraagt Vik.
‘Terug naar Kabul, ik woon nog bij mijn ouders.’
‘Kabul! Dat is niet om de hoek. Heb je een vriendin daar?’
Er valt een stilte. Vik kijkt naar Omari, die verlegen lacht. Hij lijkt een beetje te blozen en knikt. ‘Ik ben verloofd en spaar voor onze bruiloft.’
‘Vindt ze het niet erg dat je steeds zo lang weg bent? Ik bedoel, zou ze niet liever hier in de buurt komen wonen om dichter bij jou te zijn?’
‘Te gevaarlijk,’ zegt Omari lachend. ‘Dat weet je toch wel?’
Vik knikt bevestigend. ‘Ben je al wat meer waard geworden?’ ‘Ik ben heel veel geld waard. De taliban hebben er 2500 dollar
voor over om me dood te krijgen,’ antwoordt de tolk.
Vik kijkt op. 2500 dollar is hier dus blijkbaar heel veel geld. Nu is het niet zo dat hij zo’n bedrag dagelijks op zak heeft, maar in zijn ogen is het niets voor een mensenleven. Hij kijkt naar de grond en
schudt zijn hoofd in onbegrip.
Dan verbreekt Omari de stilte. ‘In de ogen van de taliban zijn
wij verraders, niet omdat we tolk zijn, maar omdat we tolken voor júllie, een stelletje ongelovige honden. Dat is niet waar. Jullie zijn geen ongelovige honden, jullie geloven gewoon anders.’
‘Waarom ben je eigenlijk tolk geworden?’ Vik zit voorovergebogen met zijn armen op zijn knieën.
Omari gaat recht tegenover hem in een soort kleermakerszit op het veldbed zitten. Zijn blik wordt serieus en hij lijkt de tijd te nemen om zijn woorden zorgvuldig te kiezen.
‘Ik wil ook iets doen voor mijn land,’ zegt hij, terwijl hij Vik recht aankijkt. ‘We kunnen jullie toch niet in de steek laten? Jullie hoeven niet hierheen te komen, maar toch zijn jullie er om ons te helpen, zodat ook onze kinderen later naar school kunnen. Jullie wagen je leven voor mensen die jullie niet kennen, in een vreemd land. Weet je, ons land is niet altijd zo geweest. Ooit was het mooi, mooier dan dat van jullie, maar er is zoveel veranderd.’
Omari kijkt omlaag, zijn handen liggen in zijn schoot gevouwen. Hij vraagt Vik of hij zijn familie mee zou nemen naar Afghanistan, naar Kabul, de Baburtuinen, Herat of Kandahar, naar al het moois wat het land te bieden heeft. Niet nu maar later, later als alles weer veilig is. Hoopvol wachtend op bevestiging kijkt hij op naar Vik.
Vik knikt. ‘Als het veilig is, dan komen we eerst naar Kandahar. Wist je dat de stad gebouwd is rondom een punt dat Chahar Sou heet, dat zoiets betekent als “waar vier wegen samenkomen”. Het is de kruising van de twee grote handelswegen van lang geleden, de zijde- en specerijenroute, dacht ik.’
Omari kijkt hem verbaasd aan. ‘Hoe–’
Voordat hij zijn zin kan afmaken, onderbreekt Vik hem vriendelijk glimlachend. ‘Gelezen. Ik heb het gelezen en het is blijven hangen omdat mijn regiment ooit is ontstaan tijdens een grote slag bijna twee eeuwen geleden bij een klein plaatsje in België dat Waterloo heet. Ze vielen aan bij een punt dat in het Frans Quatre Bras heet, wat “vier armen” ofwel chahar sou.’
‘Je moet komen. Als alles weer goed is in Afghanistan, moet je komen met je gezin en dan zal ik jullie meenemen door Kandahar. Over de schapen- en wolmarkt, naar de katoenmarkt, naar het achthoekige mausoleum en de prachtige moskeeën. Het land is zoals zijn inwoners: ruig, hard en onvoorspelbaar. Het draagt de littekens van een zwaar verleden, maar ook littekens hebben hun schoonheid.’
Vik luistert aandachtig naar Omari, die vol passie vertelt over alles wat Afghanistan zo mooi maakt: het Hindu Kush-gebergte, de Vrijdagmoskee en de Boeddhabeelden die hij ooit met zijn vader bezocht. In zijn stem klinkt verdriet, omdat hij bang is. Hij is niet bang voor de taliban, maar wel dat hij dit verhaal nooit aan een toe- rist zal kunnen vertellen.
‘Zal het ooit nog goedkomen met mijn land?’
‘Geduld, zolang er genoeg mensen zijn die net als jij blijven hopen en geloven, komt het goed.’ Hoewel hij het afgezaagd vindt klinken, meent Vik het wel.
‘Beloof je dan dat je komt?’ ‘Tuurlijk beloof ik dat.’
‘Wat zou zo’n reis kosten, denk je?’
Vik kijkt Omari met een ondeugende blik aan. ‘Met mijn hele gezin… daar zou ik toch wel een tolk of drie voor moeten verraden.’ ‘Dan is het maar goed dat ik morgen op verlof ga. We zien elkaar wel weer als ik terug ben uit Kabul.’

Niels ®elen

Please follow and like us:
14