Donderslag

Het is stil langs de weilanden, angstaanjagend stil zo in de vroege morgen. Met de duivel op de hielen draaien mijn benen rond.

 

Volhouden. Niet verslappen.

 

Vluchtend voor de eruptie die zo overduidelijk in de lucht hangt, kruip ik diep onderin de beugel.

 

Diep zitten. Laag blijven.

 

Daar staat zij, de invasiemacht van kamille. Opgesteld langs de loopgraven die de polders doorkruisen.

 

Trappen. Blijven trappen.

 

Ze heeft geen boodschap aan de eend die haar kinderen in veiligheid probeert te brengen.

 

Draaien, negeer de pijn. Draaien verdomme.

 

Net zomin als ze zich bemoeit met de aalscholver die zich (naast een sloot die zojuist is leeggeroofd) overgeeft op een lantaarnpaal.

 

Harder. Het moet harder.

 

Mijn voorwiel ontwijkt een kikker op zijn rug. Voorbode van en eerste (onschuldige) slachtoffer van het aanstormend geweld.

 

Trappen. Blijven trappen.

 

In de verte de toren waarvandaan een ooievaar, statig generaal, zijn strijdtoneel overziet. De eerste fosforgranaten landen in mijn benen.

 

Vlucht. Probeer te vluchten.

 

Omringd door strijdgewoel doorkruis ik het slagveld, gecamoufleerd onder de geur van zomer.

 

Laat lopen. Geef je over.

 

 

 

Niels ¬ģelen

 

 

Please follow and like us:
8

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *